Voor de koninginnenrit wordt de stilte aan het ontbijt vanzelf iets groter. Vanuit La Léchère loopt de eerste lijn door de Tarentaise, tussen steile flanken en dorpen die hun naam aan talloze koersverhalen hebben geleend. Het dal geeft tijd om warm te draaien, maar de Col de la Loze hangt vanaf de start als een belofte boven de rit.
De klim naar de Loze begint beheerst, via de bekende skidorpen boven Brides-les-Bains. Lange, regelmatige stukken verleiden tot een tempo dat later duur kan blijken. Pas na Méribel verandert de klim van karakter. Het autovrije slot slingert over een smalle strook asfalt met korte muren die dubbelcijferig omhoogschieten. Ritme maakt plaats voor overleven, bocht na bocht.
Op 2.300 meter is de lucht ijler en het uitzicht immens. Hier schreef de Tour de France moderne geschiedenis en hier voelt iedere amateur hoe bruut een finish op hoogte kan zijn. De afdaling vraagt aandacht; de benen koelen snel af en beneden wacht geen ontspannen terugweg, maar een tweede monument.
De Col de la Madeleine is langer en klassieker. Vanuit de Maurienne bouwt de weg langzaam spanning op. Dorpen en alpenweiden wisselen elkaar af, terwijl de top lang buiten beeld blijft. Het middelste deel is de mentale kern: de Loze zit nog in de spieren, de Madeleine heeft haar zwaarste kilometers nog niet prijsgegeven en het dal ligt inmiddels ver beneden.
Boven opent de horizon naar de Mont Blanc en de massieven van de Vanoise. Daarna volgt een lange afdaling waarin opluchting en vermoeidheid naast elkaar bestaan. Ruim vierduizend hoogtemeters maken deze etappe de maatstaf van de week. Niet omdat één strook onmenselijk is, maar omdat twee legendarische beklimmingen samen vragen om geduld, voeding en karakter.